Crypto: het digitale goud?
English version: scroll down
Drieduizend jaar geleden werd op kleitabletten al over betaalmiddelen geschreven. Stukjes puur zilver, na het smelten in gelijke stukjes gehakt, was zo een gestandaardiseerd betaalmiddel. Het gewicht van het ‘muntstuk’ was de marktwaarde van het betaalmiddel. Toen landbouw en veeteelt ontstonden, groeide de vraag naar geld om schattingen te betalen aan heersers van land en priesters in de tempels. De functie ‘eenheid-van-waarde’ is dus ouder dan geld als ruilmiddel. Het juiste offer moest worden afgemeten – of beter – afgewogen. In allerlei oude geschriften zien we dat vee, landbouwproducten en grondstoffen een waarde kregen, uitgedrukt in de gewichtsmaten van deze munteenheden.
Wisselgeld
Toen economieën verfijnden en arbeidsdeling ontstond, werd een functioneel betaalmiddel noodzaak. Een gegarandeerde waarde als formeel ‘ruilmiddel’ tussen zij die produceerden en zij die consumeerden. Om kleine transacties mogelijk te maken, was duurzaam, deelbaar en algemeen aanvaard ‘wisselgeld’ nodig. Een bijzonder geval van arbeidsdeling ontstond in het geval van oorlog. Naast wapens moesten dan ook huurlingen met geld worden betaald.
Rond 1500 ontstonden in Europa certificaten en wisselbrieven, die edelsmeden – als voorlopers van banken – overhandigden als goud of zilver bij hen werd ingeleverd. Door deze ‘pandbrieven’ onderling uit te wisselen, werd betaling op afstand mogelijk. Echt papiergeld ontstond pas toen men kon boekdrukken. In een eerdere blog schreef ik dat pas met de drukpers de mens in staat was exacte datakopieën te maken. Arbeidsintensieve, variabele, handgeschreven teksten konden worden vervangen door goedkope kopieën ‘met elk gegarandeerd dezelfde tekst’. Dit betekende ook dat men identiek waardepapier kon drukken.
Bankbiljetten
Het eerste bankbiljet werd in de zeventiende eeuw in Zweden gedrukt door Johan Palmstruch – geboren als de Nederlander Hans Wittmaeker. In 1634 kwam zijn familie naar Amsterdam, had contact met plaatselijke muntmeesters en begon een wisselbank voor kredietbrieven en eerder genoemde waarde- en pandbrieven. Toen liep hij al rond met een plan om ‘geld’ te drukken. Hij was de eerste die verbinding zag tussen een huis van lening en een wisselbank. Enkele jaren later met onder andere kantoren in Zweden, kwam Johan in geldnood en liet zijn wisselbank in iets te grote getale, extra kredietbrieven produceren. Hij werd gearresteerd en in Zweden tot een gevangenisstraf van 5 jaar veroordeeld.
Na zijn veroordeling benaderde hij koning Gustav van Zweden met zijn idee als staat geld te drukken. Een plan dat hij eerder – zonder resultaat – voorstelde aan de bank van Amsterdam. Een bank kon geld ‘verdienen’ door goedkoop gegarandeerde bankbiljetten te drukken en die uit te wisselen tegen waardevol goud. Als de Staat deze bancaire rol oppakte, kon zij veel geld verdienen. Gustav’s dochter, Christine I zag wel heil in dit idee – zeker in dit verdienmodel – waardoor in 1647 het eerste bankbiljet het daglicht zag. In 1651 verhief zij Johan en zijn broers voor hun ‘verdiensten’ zelfs in de Zweedse adelstand.
De eerste staatsbank
De zoon van Christina I, Karel X gaf in 1656 toestemming aan Johan tot de oprichting van Stockholm Banco, de combinatie van een wisselbank en een Bank van Lening. De helft van de winst moest de bank afstaan aan de staat. In eerste instantie accepteerde hij korte termijn leningen om die uit te zetten tegen lange termijnleningen, gedekt door allerhande metalen, zelfs koper. Maar toen koper in prijs daalde ten opzichte van de zilveren Zweedse rijksdaler, keerde men terug naar goud en zilver als edelmetalen voor de munt.
Vanaf 1661 werden ook kredietbewijzen uitgegeven. Omdat de bank (wederom!) meer biljetten in omloop bracht dan er dekking in zilver was, konden niet alle kredietbrieven meer worden ‘verzilverd’ en ontstond inflatie. De bank werd steeds vaker lastgevallen door klanten die hun geld in zilver terugeisten en de Staat verbood uiteindelijk de verdere handel in bankbiljetten. In 1668 ging zijn bank failliet. De Zweedse Rijksdag doopte zijn failliete bank om tot de Riksens Ständers Bank, de latere Zweedse Staatsbank.
De gouden standaard
Om te voorkomen dat teveel geld werd gedrukt – zoals Johan deed – ontstond het idee van de gouden standaard. Geld, zowel in munt als papier, moest identiek zijn aan een vastgestelde hoeveelheid goud. Logischerwijs kon je niet meer ‘geld’ slaan of drukken dan er goud beschikbaar was dat door de overheid in fysieke kluizen werd bewaard. Hierdoor was een bankbiljet van de staat een gegarandeerd schuldbewijs. Bankbiljetten uitgegeven ten tijde van de gouden standaard lieten in beginsel toe dat de eigenaar door de centrale bank ‘in natura’ kon worden uitbetaald.
In Nederland werd na de Franse bezetting een dubbele standaard ingevoerd. Een zilveren gulden moest 9,61 gram zilver bevatten en een gouden tientje 6,056 gram goud. In plaats van gewantrouwde ‘bankbiljetten’, werden nu muntbiljetten uitgegeven, volledig gedekt door de muntstukken als vermeld op het muntbiljet. In 1850 stapte de Staat over op de zilveren standaard, vanwege de stabielere prijs van zilver. Maar in 1875 voerde ook Nederland – net als vele andere landen – de gouden standaard in.
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden veel landen hun goudvoorraad gebruikt om munitie en soldaten te betalen en er was er discussie over de terugkeer naar de gouden standaard. In 1944 ontstond een financieel akkoord – het systeem van Bretton Woods – over wereldwijde vaste wisselkoersen, waarbij alleen nog de dollar bij de Amerikaanse Centrale Bank tegen goud kon worden ingewisseld. Alle andere valuta waren met een vaste wisselkoers gekoppeld aan de dollar en daardoor indirect aan het goud. Tot 1970 dekte het opgeslagen goud in Amerika de waarde van alle gedrukte dollars. In 1971 beëindigde President Nixon eenzijdig de koppeling van de dollar met goud.
Crypto, de nieuwe goudstandaard?
Sinds dat jaar kan geld – fiduciair, Latijns voor vertrouwen, ook wel fiatgeld genoemd – uit het ‘niets’ worden gecreëerd. Letterlijk op digitale wijze met een druk op de knop. Waarbij de overheid het vertrouwen geeft, dat er met dat geld goederen en diensten kunnen worden gekocht. Lange tijd ging dat goed, maar niemand heeft Centrale Banken weerhouden om – net als Johan destijds – meer geld te maken, waardoor inflatie nu de kop opsteek. De vraag is, moet er een limiet aan een munthoeveelheid worden gesteld. In een eerdere blog ‘Data, de nieuwe gouden standaard?’ stelde ik de vraag: als we met een druk op de knop van de computer geld kunnen (bij)maken, moeten we dan die computer niet instrueren, hoeveel geld dan ‘mag’ worden gemaakt om (toekomstige) inflatie te voorkomen. Dus via de computer een geldvoorraad eindig maken.
Vergelijkbaar met digitale munten – cryptocurrency – die net als goud ‘gemijnd’ worden. In een gekoppelde blockchain is de maximale hoeveelheid munten bepaald die ooit gemijnd mogen en – belangrijker – kunnen worden. Een soort gouden standaard zoals we die vroeger kenden. Zou crypto een nieuwe gouden standaard kunnen worden? De crypto-wereld is een digitale versie van het historische bank- en muntgeld. Digitale ‘tokens’ zijn als oude waardepapieren en digitale ‘coins’ als het oude geld, gebaseerd op een standaard van gemijnde digitale blokken in een blockchain. Wat nog rest is een staatsbank die op basis van die standaard het vertrouwen geeft, dat met die coins en tokens goederen en diensten kunnen worden gekocht.
Photo by Quantitatives on Unsplash
—————– Translated by ChatGPT ————–
Crypto: the digital gold?
Three thousand years ago, means of payment were already being described on clay tablets. Pieces of pure silver, melted and then cut into equal parts, became a standardized form of payment. The weight of the “coin” determined the market value of the medium of exchange.
When agriculture and livestock farming emerged, the demand for money grew in order to pay tributes to rulers of land and priests in temples. The function of unit of account is therefore older than money as a medium of exchange. The correct offering had to be measured—or more precisely—weighed. In many ancient writings, we see that livestock, agricultural products, and raw materials were assigned value, expressed in the weight measures of these monetary units.
Small change
As economies became more sophisticated and division of labor emerged, a functional means of payment became necessary. A guaranteed value as a formal medium of exchange between producers and consumers. To enable small transactions, durable, divisible, and widely accepted “small change” was needed.
A particular form of division of labor appeared in times of war. In addition to weapons, mercenaries also had to be paid.
Certificates
Around 1500, certificates and bills of exchange appeared in Europe. Goldsmiths—early predecessors of banks—issued these when gold or silver was deposited with them. By exchanging these “collateral notes” among themselves, payments over distance became possible.
True paper money only emerged with the invention of the printing press. In an earlier blog, I wrote that only with printing did humans become capable of producing exact copies of data. Labor-intensive, variable handwritten texts could now be replaced by cheap copies, each guaranteed to contain the exact same text. This also meant that identical securities could be printed.
Banknotes
The first banknote was printed in the seventeenth century in Sweden by Johan Palmstruch—born as the Dutchman Hans Wittmaeker. In 1634, his family moved to Amsterdam, where he connected with local mint masters and started an exchange bank for credit notes and the earlier-mentioned value and collateral papers.
Even then, he was already developing a plan to “print money.” He was the first to see the connection between a pawn bank and an exchange bank. A few years later, with offices including Sweden, Johan ran into financial trouble and allowed his exchange bank to produce too many additional credit notes. He was arrested and sentenced in Sweden to five years in prison.
After his conviction, he approached King Gustav of Sweden with his idea of having the state print money—an idea he had previously proposed unsuccessfully to the Bank of Amsterdam. A bank could “earn” money by cheaply printing guaranteed banknotes and exchanging them for valuable gold. If the state took on this banking role, it could generate significant income.
Gustav’s daughter, Christina I, saw potential in this idea—particularly in the business model—and in 1647 the first banknote came into existence. In 1651, she even elevated Johan and his brothers into the Swedish nobility for their “services.”
The first central bank
Christina I’s son, Charles X, granted Johan permission in 1656 to establish Stockholm Banco—a combination of an exchange bank and a pawn bank. Half of the profits had to be paid to the state.
Initially, the bank accepted short-term deposits and issued long-term loans backed by various metals, including copper. But when copper declined in value relative to the silver Swedish riksdaler, the system reverted to gold and silver as monetary standards.
From 1661 onward, credit notes were issued again. Because the bank (once again) circulated more notes than it had silver reserves, not all notes could be redeemed, leading to inflation. Customers increasingly demanded their money back in silver, and eventually the state prohibited further trading in banknotes. In 1668, the bank went bankrupt.
The Swedish Parliament renamed the failed bank Riksens Ständers Bank, which later became the Swedish central bank.
The gold standard
To prevent excessive money creation—as Johan had done—the idea of the gold standard emerged. Money, whether coins or paper, had to correspond to a fixed quantity of gold. Logically, no more money could be minted or printed than the gold physically held in government vaults.
This meant that a state-issued banknote was effectively a guaranteed claim. Under the gold standard, the holder of a banknote could, in principle, demand payment “in kind” from the central bank.
In the Netherlands, after the French occupation, a dual standard was introduced. A silver guilder had to contain 9.61 grams of silver, and a gold ten-guilder coin 6.056 grams of gold. Instead of distrusted “banknotes,” coin-backed notes were issued, fully covered by the coins referenced on them.
In 1850, the state moved to a silver standard due to the more stable price of silver. By 1875, however, the Netherlands—like many other countries—adopted the gold standard.
Bretton Woods
At the end of World War II, many countries had used their gold reserves to pay for ammunition and soldiers, prompting debate about returning to the gold standard.
In 1944, a financial agreement—the Bretton Woods system—established global fixed exchange rates, where only the US dollar could be exchanged for gold at the American central bank. All other currencies were pegged to the dollar and thus indirectly to gold.
Until 1970, the gold reserves in the United States covered the value of all printed dollars. In 1971, President Nixon unilaterally ended the dollar’s convertibility into gold.
Crypto, the new gold standard?
Since then, money—fiduciary (from Latin fiducia, meaning trust), also known as fiat money—can be created “out of nothing.” Literally, at the push of a digital button. Governments provide the trust that this money can be used to purchase goods and services.
For a long time, this worked well. But nothing has prevented central banks from creating more money—just as Johan once did—leading to rising inflation today.
The question is whether limits should be placed on the money supply. In an earlier blog, “Data, the new gold standard?”, I raised the question: if we can create money digitally at the press of a button, shouldn’t we instruct that system how much money is allowed to be created to prevent future inflation? In other words, make the money supply finite through code.
This is comparable to digital currencies—cryptocurrencies—which, like gold, are “mined.” In a connected blockchain, the maximum number of coins that can ever be mined is predetermined—and more importantly, enforced. A kind of digital gold standard reminiscent of the past.
Could crypto become a new gold standard? The crypto world is a digital version of historical banking and monetary systems. Digital “tokens” resemble historical securities, and digital “coins” resemble traditional money—based on a standard of mined digital blocks in a blockchain.
What remains is a state authority that provides the trust that these coins and tokens can be used to buy goods and services.