Europa wordt ouder, maar Nederland heeft een bijzonder pensioenvoordeel
English version: scroll down
In mijn eerste blog over arbeidsmarktschaarste schreef ik dat een tekort aan mensen niet alleen een probleem hoeft te zijn, maar ook een motor voor innovatie kan worden. Als arbeid schaars is, kunnen bedrijven niet onbeperkt groeien door meer mensen aan te nemen. Ze moeten technologie inzetten waarmee de aanwezige medewerkers meer kunnen doen.
In mijn tweede blog trok ik die redenering door naar de overheid. Ook daar kan schaarste een innovatieprikkel zijn, maar die is minder vanzelfsprekend. De reflex is vaak: meer werk, meer mensen. Daarmee wordt de fundamentele vraag uitgesteld: kunnen we hetzelfde werk anders organiseren en productiever maken?
Nu komt daar een derde element bij: de demografische ontwikkeling van Europa en de manier waarop pensioenen zijn georganiseerd. Vergrijzing betekent niet alleen minder mensen om het werk te doen, maar ook meer mensen die we moeten onderhouden. En juist daar staat Europa er financieel heel verschillend voor.
En de vraag is of die verschillen op termijn te handhaven zijn. Immers met de euro als gemeenschappelijke munt, die eerdere oplossingen via devaluatie uitsluit, kunnen deze groeiende verschillen in pensioen- en schuldposities op termijn de houdbaarheid van de eurozone en de EU zelf op de proef stellen.
Meer productie per mens
Er zijn twee manieren om economische groei te realiseren: meer mensen laten werken of ervoor zorgen dat iedere werkende meer produceert. Het eerste wordt in Europa steeds moeilijker. De bevolking vergrijst, geboorten dalen en de beroepsbevolking krimpt. We kunnen dat gedeeltelijk opvangen: meer vrouwen aan het werk, langer doorwerken, lagere werkloosheid en arbeidsmigratie. Maar aan al die oplossingen zitten grenzen. Daarom wordt de tweede route steeds belangrijker: hoeveel kan één mens met ondersteunende techniek produceren?
Dat is geen theoretische vraag. Een verpleegkundige die dankzij AI minder tijd kwijt is aan administratie, helpt meer patiënten. Een technicus die met slimme software sneller een storing vindt, onderhoudt meer installaties. Een fabriek met robots produceert met dezelfde medewerkers meer. Techniek vervangt de mens niet maar ze vermenigvuldigt diens productiviteit. En juist een vergrijzende samenleving heeft daar groot belang bij.
De ene vergrijzing is de andere niet
Niet ieder land heeft dezelfde financiële uitgangspositie. Dat heeft veel te maken met de historische financiering van pensioenen. In een omslagstelsel betalen de werkenden van vandaag de pensioenen van vandaag. Zolang er veel werkenden zijn en relatief weinig gepensioneerden, werkt dat goed. Maar als die verhouding kantelt, ontstaat direct druk: minder werkenden moeten de pensioenen van meer ouderen opbrengen.
In een kapitaaldekkingsstelsel is een belangrijk deel van het pensioen al eerder opgebouwd en belegd. Dat neemt het demografische probleem niet weg — pensioenen worden uiteindelijk betaald uit goederen en diensten die de economie produceert — maar het verdeelt de financiële gevolgen anders over de tijd. Nederland heeft daardoor een bijzondere positie. Naast de AOW beschikt ons land over een zeer omvangrijk pensioenvermogen. De vergrijzing komt dus slechts deels terecht op de schouders van toekomstige werkenden. Dat is een enorm belangrijk voordeel ten opzichte van landen die sterker afhankelijk zijn van omslagfinanciering, zelfs onze buurlanden als België en Duitsland.
Denemarken en Zweden wijzen wellicht de weg
Interessant is dat juist Denemarken en Zweden — net als Nederland landen met relatief sterke pensioenbesparingen, zuinigheid, innovatie en hoge productiviteit — de afgelopen jaren een andere kijk op immigratie hebben ontwikkeld. Ook zij worden ouder en kampen met schaarste. Maar zij maken steeds meer onderscheid tussen mensen die economische waarde toevoegen en mensen voor wie de kosten langdurig groter kunnen zijn dan de bijdrage.
Denemarken voert al jaren een relatief restrictief immigratiebeleid, ook onder een sociaaldemocratische regering. De Deense sociaal-democraten benadrukken controle over wie binnenkomt en dat immigratie moet passen bij wat de samenleving nodig heeft. Zweden beweegt die kant op: voorwaarden voor arbeidsmigratie zijn aangescherpt en er wordt nadrukkelijker onderscheid gemaakt tussen vormen van migratie. Onderzoek laat zien dat de samenstelling veel uitmaakt: arbeidsmigratie heeft een duidelijk gunstiger economisch resultaat dan vluchtelingenmigratie. Daarmee ontstaat de vraag: zijn Denemarken en Zweden misschien onze voorlopers?
Van arbeidsmigratie naar kennismigratie
Als een land immigratie nodig heeft, is het dan verstandig om slechts te kijken naar hoeveel mensen er kunnen komen? Of vooral naar wat iemand daadwerkelijk kan bijdragen? Economisch is de vraag nuchter. Een moderne kenniseconomie heeft vooral behoefte aan mensen die kunnen en willen werken en schaarse vaardigheden meebrengen. Hoogopgeleide technici, ondernemers, wetenschappers en specialisten verhogen de productiviteit en creëren nieuwe waarde.
Immigratie is niet per definitie een probleem. De Verenigde Staten, Canada en Australië hebben hun ontwikkeling mede gebouwd op gestuurde en gecontroleerde immigratie. Juist omdat immigratie economisch waardevol kan zijn, ligt het voor de hand eisen te stellen aan wie welkom is en welke bijdrage iemand levert. Het verschil tussen meer mensen en meer productieve mensen is essentieel.
Nederland op een keerpunt?
Misschien staat Nederland voor een interessant keerpunt. De traditionele reactie op vergrijzing is: we hebben meer werkenden nodig. Denemarken en Zweden laten zien dat je ook een andere vraag kunt stellen: welke mensen hebben we nodig om de economie productiever en innovatiever te maken?
Dat past beter bij een samenleving waarin arbeid schaars wordt. We moeten niet alleen het aantal arbeidskrachten op peil houden, maar vooral de waarde van iedere arbeidskracht vergroten. Dat vraagt om technologie, opleiding, ondernemerschap en betaalbare energie. En om selectiever denken over arbeidsmigratie. Niet iedere extra werknemer lost een probleem op. Een goedkope kracht kan juist de prikkel wegnemen om te investeren in automatisering. Een specialist die nieuwe kennis meebrengt, kan die innovatie juist versnellen.
De zeventiger van vandaag is de zestiger van vroeger
Er is nog een ontwikkeling die in demografische modellen beperkt zichtbaar is: mensen blijven langer actief. De formele pensioenleeftijd zegt steeds minder over het moment waarop iemand werkelijk ophoudt. Veel mensen gaan na hun pensioen nog jaren door — bij hun oude werkgever, of als zelfstandige, vrijwilliger, adviseur, mentor of met een eigen initiatief.
Ik zie dat in mijn eigen omgeving steeds meer en merk het zelf. Als 73-jarige blijf ik met enthousiasme actief: van ondersteuning van start-ups tot gastcolleges en andere activiteiten. Dat is geen uitzondering meer. De zeventiger van nu is in veel opzichten vergelijkbaar met de zestiger van enkele decennia geleden: vitaal, ervaren en in staat om nog jaren een positieve bijdrage te leveren. Daarmee gebruiken we verborgen productiviteit. In mensen die officieel met pensioen zijn, zit een enorme hoeveelheid kennis en ervaring die niet verdwijnt op de dag van de AOW. Een ervaren professional kan jonge mensen coachen, een oud-ondernemer een start-up begeleiden.
‘Waarom’ is vaak belangrijker dan ‘wat en hoe’
Dat laatste vind ik het meest waardevolle. Kennis bestaat niet alleen uit het hoe en het wat — dat kunnen we meestal opzoeken. Het werkelijk begrijpen vraagt ook het waarom: waarom is iets ooit zo ontwikkeld, welke problemen moesten ermee worden opgelost, welke lessen hebben we geleerd? Die kennis staat zelden in een handboek. Die zit in mensen.
Wanneer ik gastcolleges geef, merk ik hoe geïnteresseerd studenten daarin zijn. Ze willen niet alleen weten hoe iets werkt, maar vooral waarom het ooit zo is ontstaan. Wat voor mij tientallen jaren ervaring is, is voor hen geschiedenis die ze niet uit een boek kunnen halen. En juist dat begrip helpt om betere keuzes te maken. Vergrijzing hoeft dus niet alleen een kostenpost te zijn. We kunnen oudere mensen ook zien als een gouden reservoir van kennis, ervaring en mentorschap. Langer actief blijven geeft betekenis en houdt mensen betrokken. De grens tussen werken en met pensioen zijn wordt steeds minder scherp.
Van demografisch probleem naar innovatie
Europa wordt ouder. Dat is een gegeven. Maar vergrijzing hoeft niet automatisch economische achteruitgang te betekenen. Hogere productiviteit maakt iedere werknemer waardevoller en maakt het eenvoudiger een groeiende groep niet-werkenden te dragen. Nederland heeft, dankzij zijn sterke kapitaaldekking, een bijzondere uitgangspositie. We hebben pensioenvermogen, kennis, infrastructuur, ondernemerschap en technologie. De vraag is of we die voordelen weten te combineren.
Misschien is de belangrijkste les van Denemarken en Zweden niet dat Nederland minder immigranten nodig heeft, maar dat we anders naar immigratie moeten kijken: niet als eenvoudige oplossing voor een tekort aan mensen, maar als onderdeel van een bredere strategie waarin productiviteit en innovatie centraal staan. De toekomst draait niet om de vraag hoeveel mensen we kunnen vinden, maar om de vraag hoeveel economische waarde één mens, ondersteund door moderne techniek, kan creëren.
En misschien is dat wel het echte voordeel van een spaarzame, innovatieve samenleving met een kapitaalgedekt pensioenstelsel: we hoeven demografische krimp niet alleen met méér mensen op te lossen. We kunnen haar ook aangrijpen om met de mensen die we hebben veel meer te doen. Dat geldt niet alleen voor wie nog werkt. Wie na zijn pensioen actief blijft, geeft kennis en ervaring door én blijft zelf leren. Wie startups ondersteunt, lesgeeft of op een andere manier betrokken blijft, blijft onderdeel van economie en samenleving.
Ik merk dat zelf iedere dag. Mijn wekelijkse blogs worden al meer dan zestien jaar gelezen. Regelmatig kom ik op beurzen en conferenties lezers tegen die vertellen dat ze ze nog steeds volgen. Daarmee geef je een stukje van je opgebouwde kennis terug aan de volgende generatie — over de wereld van vandaag. Het verzilveren van de vergrijzing . . .
En eerlijk gezegd is dat misschien wel het mooiste van langer actief blijven: je geeft niet alleen kennis door, je blijft zelf ook leren. Het houdt je scherp, betrokken en nieuwsgierig. Kortom: het houdt je jong.
Photo by Kampus Production
—————————— Translated with ChatGPT ————————
Europe is aging, but the Netherlands has a special pension advantage
In my first blog on labor market scarcity, I wrote that a shortage of people does not have to be only a problem — it can also become a powerful driver of innovation. When labor is scarce, companies cannot keep growing simply by hiring more people. They must deploy technology that enables the people they already have to achieve more.
In my second blog, I extended that reasoning to government. There, too, scarcity can act as an innovation incentive, but the impulse is less automatic. The reflex is often: more work, more people. That postpones the fundamental question: can we organize the same work differently and make it more productive?
Now a third element enters the picture: Europe’s demographic development and the way our pensions are organized. Aging means not only fewer people to do the work, but also more people we must support. And precisely on that point, Europe’s financial starting positions differ sharply.
More production per person
There are ultimately two ways to generate economic growth: put more people to work, or ensure that every working person produces more. The first is becoming increasingly difficult in Europe. Populations are aging, birth rates are falling, and the working-age population is shrinking in many countries. We can partly offset this by getting more women into work, raising the retirement age, reducing unemployment further, and using labor migration. But all these solutions have limits. That is why the second route is growing in importance: how much can one person produce with the help of technology?
This is not a theoretical question. A nurse who spends less time on administration thanks to AI can care for more patients. A technician who finds faults faster with smart software can maintain more installations. A factory that uses robots for repetitive tasks can produce more with the same workforce. Technology does not necessarily replace people; it multiplies their productivity. And an aging society has an enormous interest in exactly that.
Not all aging is the same
Not every country starts from the same financial position. This has a great deal to do with how pensions are financed. In a pay-as-you-go system, today’s workers largely pay for today’s pensions. As long as there are many workers and relatively few retirees, this works well. When that ratio shifts, pressure appears immediately: fewer workers must then fund the pensions of more elderly people.
In a funded system, a substantial part of the pension has already been built up and invested earlier. This does not eliminate the demographic challenge — pensions can ultimately only be paid from the goods and services the economy produces — but it spreads the financial consequences differently over time. The Netherlands therefore occupies a special position. In addition to the state pension (AOW), the country has a very large pension capital. Aging does not fall exclusively on the shoulders of future workers. That is an important advantage compared with countries that rely more heavily on pay-as-you-go financing.
Denmark and Sweden may be pointing the way
Interestingly, Denmark and Sweden — like the Netherlands, countries with relatively strong pension savings, a tradition of thrift, innovation and high labor productivity — have in recent years developed a different view of immigration. They, too, are aging and face labor shortages. Yet they increasingly distinguish between people who genuinely add economic value and people for whom the economic and social costs may long outweigh their contribution.
Denmark has pursued a relatively restrictive immigration policy for years, even under a social-democratic government. Danish social democrats explicitly stress that there must be control over how many people enter the country and that immigration must match what society needs. Sweden is moving in the same direction: conditions for labor migration have been tightened and clearer distinctions are drawn between different forms of migration. Swedish research shows that the composition of immigration matters greatly for the financial outcome: labor migration has a clearly more favorable economic effect than refugee migration. This raises an interesting question for the Netherlands: are Denmark and Sweden perhaps our forerunners?
From labor migration to knowledge migration
If a country needs immigration, is it really wise to focus mainly on how many people can come? Or should we look at what someone can actually contribute to society? Economically the question is quite sober. A modern knowledge economy primarily needs people who can work, want to work, and bring scarce skills. Highly educated technicians, entrepreneurs, scientists and other specialists can raise productivity and create new economic value.
Immigration is not by definition a problem. On the contrary, countries such as the United States, Canada and Australia have built much of their economic development on immigration. Precisely because immigration can be economically valuable, it makes sense to set requirements about who is welcome and what contribution someone can make. The difference between more people and more productive people is essential.
The Netherlands at a turning point?
Perhaps the Netherlands therefore faces an interesting turning point. The traditional response to aging is: we need more workers. The experience of Denmark and Sweden shows that you can also ask a different question: which people do we need to make our economy more productive and more innovative?
That fits far better with a society in which labor is becoming scarce. We must not only try to keep the number of available workers stable, but above all increase the value of every worker. That requires technology, education, entrepreneurship and affordable energy. It also requires more selective thinking about labor migration. Not every extra employee solves a problem. A cheap worker can sometimes remove the incentive to invest in automation. A specialist who brings new knowledge and technology can accelerate that same innovation.
Today’s seventy-year-old is yesterday’s sixty-year-old
There is another development that remains only partly visible in demographic models: people are staying active longer. The formal retirement age says less and less about the moment someone truly stops being socially and economically active. Many people continue for years after retirement — with their former employer, as self-employed, as volunteers, drivers, advisers, mentors, or by starting their own business or initiative.
I see this in my own surroundings and experience it myself. At 73 I remain enthusiastically active: from supporting start-ups to giving guest lectures and a range of other activities. This is no longer an exception. Today’s seventy-year-old is in many respects comparable to the sixty-year-old of a few decades ago: vital, experienced and perfectly capable of making a positive contribution for years to come. This creates a form of hidden productivity. In people who are officially retired lies an enormous reservoir of knowledge and experience that does not disappear on the day the state pension begins. An experienced professional can coach young people; a former entrepreneur can guide a start-up.
I find the latter perhaps the most valuable. Knowledge does not consist only of the how and the what — we can usually look that up nowadays. Truly understanding a field also requires the why: why was something developed in a certain way, which problems had to be solved, which choices were made then, and which lessons did we learn? That kind of knowledge rarely appears in a handbook or database. It resides in people.
When I give guest lectures, I notice how interested students are in exactly that. They want to know not only how something works, but especially why it once came into being that way. What is decades of experience for me is history they cannot extract from a book. And that understanding of the why helps them make better choices themselves.
Aging therefore does not have to be only a cost. We can also see older people as a growing reservoir of knowledge, experience and mentorship. Remaining active longer can give meaning to life after formal retirement and keep people involved in society. The boundary between working and being retired is becoming ever less sharp.
From demographic problem to innovation
Europe is growing older. That is a fact we cannot escape. But aging does not automatically mean economic decline. Higher productivity makes every worker more economically valuable and thereby makes it easier to support a growing group of non-workers. Thanks to its strong funded pension system, the Netherlands has a special starting position. We have built up not only pension capital, but also knowledge, infrastructure, entrepreneurship and technology. The question is whether we know how to combine those advantages.
Perhaps the most important lesson from Denmark and Sweden is not that the Netherlands needs fewer immigrants, but that we must look at immigration differently: not as a simple solution to a shortage of people, but as part of a broader economic strategy in which productivity and innovation take center stage. The future ultimately turns not on the question of how many people we can find, but on the question of how much economic value one person, supported by technology, can create.
And perhaps that is the real advantage of a thrifty, innovative society with a funded pension system: we do not have to solve demographic decline solely by adding more people. We can also seize it as an opportunity to achieve much more with the people we have. That applies not only to those still working. Anyone who remains active after retirement passes on knowledge and experience while continuing to learn themselves. Anyone who supports start-ups, teaches, or stays involved in other ways remains part of the economy and of society.
I experience that myself every day. My weekly blogs have now been read for more than sixteen years, and at trade fairs and conferences I regularly meet former colleagues and younger readers who tell me they still follow them. In that way you return a piece of the knowledge and experience you have built up to the next generation — about the world of today.
And honestly, that may be the finest part of staying active longer: you do not only pass on knowledge, you keep learning yourself. It keeps you sharp, engaged and curious. In short: it keeps you young.